Machu Picchu bezoeken

Machu Picchu Lama's op een stenen pad tussen de muren van een Incastad, met groene terrassen en bergen in de wolkenligt op ongeveer 2.430 meter hoogte op een bergrug boven de rivier de Urubamba, in de Andes van Peru. De Inca’s bouwden de stad halverwege de vijftiende eeuw, vermoedelijk als landgoed van keizer Pachacútec. Toen de Spanjaarden Peru veroverden, werd de plek verlaten, maar de Spanjaarden vonden hem nooit. De boeren in de omgeving wisten er wel van, en in 1911 bracht een van hen de Amerikaanse onderzoeker Hiram Bingham erheen, die de ruïnes wereldberoemd maakte. Sinds 1983 staat Machu Picchu op de werelderfgoedlijst van de Unesco, als cultureel en natuurlijk erfgoed, en in 2007 werd het gekozen tot een van de nieuwe zeven wereldwonderen.

Kaartjes en circuits

Je mag Machu Picchu niet meer vrij doorlopen. Sinds 2024 kies je bij het kopen van je kaartje een van drie circuits, met in totaal tien vaste routes: een panoramaroute langs de bovenste terrassen, de klassieke route door het centrum en een route langs de koninklijke gebouwen. Elk kaartje hoort bij een tijdvak, tussen zes uur ’s ochtends en vier uur ’s middags. Per dag mogen er 4.500 tot 5.600 bezoekers naar binnen, afhankelijk van het seizoen. Buitenlandse volwassenen betalen sinds mei 2026 163 soles. Wie ook de Huayna Picchu of de Machu Picchu-berg wil beklimmen, kiest een duurdere route waarbij die klim hoort. Kaartjes koop je via de officiële website van het Peruaanse ministerie van Cultuur; voor juni tot en met oktober zijn ze vaak weken van tevoren uitverkocht.

Met de trein of over het Incapad

De meeste bezoekers reizen met de trein van PeruRail of Inca Rail naar Aguas Calientes, het dorp aan de voet van de berg. Vanuit Ollantaytambo duurt de rit ongeveer anderhalf uur, vanuit Cusco ruim drie tot ruim vier uur. Vanaf het dorp brengt een pendelbus je in zo’n twintig minuten over een slingerweg naar de ingang. Je kunt ook in ruim een uur de trappen omhoog lopen. Wie meer tijd heeft, loopt het klassieke Incapad van ongeveer 43 kilometer in vier dagen, met de laatste ochtend de aankomst bij de Zonnepoort. Daarvoor heb je een vergunning en een erkende touroperator nodig. Er zijn 500 vergunningen per dag, inclusief gidsen en dragers, en in februari is het pad dicht voor onderhoud.

Hoogte en weer

Cusco ligt op ongeveer 3.400 meter, flink hoger dan Machu Picchu zelf. Veel reizigers wennen daarom eerst een paar dagen aan de hoogte in de lagere Heilige Vallei van de Inca’s, rond Pisac en Ollantaytambo. Van mei tot en met september is het droog seizoen, met heldere ochtenden en de grootste drukte, terwijl van december tot en met maart veel regen valt. Op de terrassen grazen lama’s, die het gras kort houden.

Het Titicacameer en de Uros-eilanden

Het Titicacameer Vrouwen in felgekleurde rokken en strohoeden op een eiland van riet, met rieten hutten en een rieten bootligt op 3.812 meter hoogte op de hoogvlakte van de Andes, op de grens van Peru en Bolivia. Met een oppervlakte van ruim 8.300 vierkante kilometer is het het grootste zoetwatermeer van Zuid-Amerika en een van de hoogst gelegen bevaarbare meren ter wereld. Voor de Inca’s was het een heilige plek: volgens hun overlevering kwamen de zon en de eerste Inca hier uit het water. Aan de Peruaanse oever ligt de stad Puno, het vertrekpunt voor boottochten naar de eilanden.

De drijvende eilanden van de Uros

Op zo’n vijf kilometer van de haven van Puno liggen de Uros-eilanden, enkele tientallen kunstmatige eilanden van gestapeld totorariet. De bewoners leggen er elke paar maanden een nieuwe laag riet op, omdat de onderste lagen in het water wegrotten; een eiland gaat zo ongeveer dertig jaar mee. Ook hun huizen en de bekende boten met een drakenkop maken ze van hetzelfde riet. De eilanden die de rondvaartboten aandoen, zijn sterk op toerisme ingericht: je krijgt uitleg over de bouw, kunt een tochtje maken in een rieten boot en handwerk kopen. Het bezoek duurt meestal een paar uur.

Taquile en Amantaní

Verder het meer op liggen de bewoonde eilanden Taquile en Amantaní, waar geen auto’s rijden. Op Taquile, 45 kilometer van Puno, is de textielkunst beroemd: mannen en vrouwen breien en weven er mutsen, gordels en kleding volgens eeuwenoude patronen, die als immaterieel erfgoed op de lijst van de Unesco staan. Op Amantaní overnacht je bij een gastgezin, met eenvoudige maaltijden en vaak een avond met muziek en dans. Vanaf de twee toppen van het eiland, Pachatata en Pachamama, kijk je bij zonsondergang over het meer. Veel touroperators in Puno bieden een tocht van twee dagen aan langs de Uros, Amantaní en Taquile.

De Boliviaanse kant en praktisch

Aan de Boliviaanse kant ligt het stadje Copacabana, vanwaar boten in ongeveer anderhalf uur naar het Isla del Sol varen, met Inca-ruïnes, terrassen en wandelpaden. Van Puno naar Copacabana rijd je in ruim drie uur via de grensovergang bij Kasani. Puno zelf heeft geen vliegveld: je landt in Juliaca, ruim 40 kilometer verderop, of je neemt vanuit Cusco de bus, die zes tot acht uur onderweg is. Omdat het meer zo hoog ligt, is het overdag zonnig maar ’s nachts koud, en het is verstandig eerst een paar dagen aan de hoogte te wennen. In februari is Puno het toneel van de Fiesta de la Candelaria, met duizenden dansers in kleurrijke kostuums.