De kloosters van Meteora

Meteora ligt Klooster met rode daken boven op een steile rotspilaar, met een vlakte en een stadje in de dieptein Thessalië, in het midden van Griekenland, tussen het stadje Kalambaka en het dorp Kastraki. Uit de vlakte rijzen zandstenen pilaren op, sommige meer dan 400 meter hoog, en op een aantal ervan staan kloosters. Al vanaf de elfde eeuw woonden er kluizenaars in de grotten. In de veertiende eeuw stichtte de monnik Athanasios Meteoritis op de hoogste rots het Groot Meteoron, en in de eeuwen daarna verrezen er in totaal 24 kloosters. Lange tijd waren ze alleen bereikbaar met ladders of met een net dat aan een touw omhoog werd getakeld. Sinds 1988 staat Meteora op de werelderfgoedlijst van de Unesco, zowel om de natuur als om de cultuur.

Zes kloosters die je kunt bezoeken

Van de 24 kloosters zijn er zes nog in gebruik en open voor bezoekers. Het Groot Meteoron is het oudste en grootste, met een museum, een oude keuken en een kerk vol fresco’s. Varlaam ligt er vlak tegenover op een rots van 373 meter en heeft nog de oude lier waarmee voorraden omhoog werden gehaald. Roussanou staat op een smalle rots midden in het dal en is via een brug bereikbaar. Agia Triada, bekend uit de James Bondfilm For Your Eyes Only, bereik je via een lange trap in de rots. Agios Stefanos is sinds 1961 een nonnenklooster en het makkelijkst te bereiken, omdat je er vanaf de weg over een korte brug binnenloopt. Het kleine Agios Nikolaos Anapafsas ligt het dichtst bij Kastraki.

Openingstijden en kleding

Elk klooster heeft een eigen sluitingsdag. In de zomer is het Groot Meteoron dicht op dinsdag, Varlaam en Agios Nikolaos op vrijdag, Roussanou op woensdag, Agia Triada op donderdag en Agios Stefanos op maandag. Van november tot en met maart zijn sommige kloosters meerdere dagen per week gesloten en sluiten ze eerder. Wie op één dag alle zes wil zien, kan dus het best een zomerse zaterdag of zondag kiezen. De entree is 5 euro per klooster en wordt meestal contant betaald. Vrouwen dragen een rok tot onder de knie en bedekte schouders, mannen een lange broek, en niemand mag met blote schouders naar binnen. Bij de ingang liggen omslagrokken klaar.

Erheen en rondkijken

Sinds de overstromingen van september 2023 rijden er geen treinen meer tot Kalambaka. Vanuit Athene reis je met de InterCity naar Palaiofarsalos en daar stap je over op een bus van Hellenic Train, die samen ongeveer vijf en een half uur onderweg zijn. Daarnaast rijden er rechtstreekse KTEL-bussen. Tussen de kloosters loopt een asfaltweg met parkeerplaatsen en uitkijkpunten, en vanuit Kastraki lopen oude voetpaden door het bos omhoog. Het licht is het mooist bij zonsondergang, wanneer de rotsen rood kleuren. In Kalambaka en Kastraki zijn veel kleine hotels en pensions.

Sossusvlei en Deadvlei bezoeken

Sossusvlei ligt Dode, zwarte bomen op een witte kleivlakte voor een hoge oranje zandduinin het Namib-Naukluft Park, in het zuidwesten van Namibië, op ongeveer 310 kilometer van Windhoek. Het is een droge kleipan tussen enkele van de hoogste zandduinen ter wereld, die door ijzeroxide oranje tot dieprood kleuren. De rivier de Tsauchab bereikt de pan alleen na een uitzonderlijk natte regentijd, en dan staat er een paar weken water. Het duingebied hoort bij de Namib Sand Sea, sinds 2013 werelderfgoed van de Unesco: ruim 30.000 vierkante kilometer duinen die worden gevormd door de wind en beïnvloed door de mist van de Atlantische Oceaan. Vanuit Windhoek rijd je er in vier tot vijf uur naartoe, voor een groot deel over onverharde wegen.

Deadvlei en de duinen

Het bekendste beeld van Namibië is dat van Deadvlei, een witte kleipan op ongeveer een kilometer lopen van de parkeerplaats aan het eind van de weg. Er staan de zwarte resten van kameeldoornbomen die zo’n 600 tot 700 jaar geleden zijn afgestorven, toen oprukkende duinen de rivier afsneden. Door de extreme droogte zijn ze nooit vergaan. Boven de pan rijst Big Daddy op, met ongeveer 325 meter de hoogste duin van het gebied. De klim over de kam kost een tot twee uur, terwijl je in een paar minuten langs de steile kant naar beneden de vlei in loopt. Langs de weg ligt Duin 45, genoemd naar de kilometerpaal, waar veel bezoekers bij zonsopkomst naar boven lopen omdat het zand dan nog koel is en de schaduwen de vorm van de duinen laten zien.

Toegang en vervoer

Het park is alleen bereikbaar via de poort bij Sesriem, die opengaat bij zonsopkomst en sluit bij zonsondergang. Wie in Sossus Dune Lodge, Dead Valley Lodge of op de camping van Sesriem overnacht, mag al een uur eerder door de tweede poort naar de duinen en staat dus als eerste bij Deadvlei. De vergunning koop je bij het kantoor van Sesriem, kort na de poort. Sinds 1 april 2026 betalen buitenlandse volwassenen 280 Namibische dollar per dag, plus 60 Namibische dollar voor de auto. Vanaf de poort loopt een asfaltweg van ongeveer 60 kilometer. De laatste vijf kilometer naar Sossusvlei en Deadvlei gaan door mul zand en zijn alleen geschikt voor een 4×4; met een gewone auto parkeer je eerder en stap je over op de shuttle. De regels voor zelfrijders op dat laatste stuk zijn in 2025 en 2026 een paar keer veranderd, dus controleer ze voor vertrek.

Hitte, licht en de Sesriem Canyon

Kom zo vroeg mogelijk. In de eerste uren na zonsopkomst is het licht het mooist en is het nog draaglijk warm, terwijl het rond het middaguur in de zomer boven de 40 graden kan worden en er nergens schaduw is. Neem ruim water mee en een hoofddeksel. Dicht bij Sesriem ligt de Sesriem Canyon, een kloof van ongeveer een kilometer lang en tot 30 meter diep die de Tsauchab in het gesteente heeft uitgesleten. De naam betekent zes riemen: zoveel aan elkaar geknoopte riemen waren nodig om een emmer naar het water te laten zakken. Meer over de rit, de duinen en de beste volgorde van een bezoek lees je op Namibië voor beginners.

De Galápagoseilanden bezoeken

De Galápagoseilanden liggen in de Grote Oceaan, Reuzenschildpad in het gras bij een rotsachtige kust met golvenzo’n duizend kilometer voor de kust van Ecuador, precies op de evenaar. De archipel bestaat uit dertien grote en een paar honderd kleinere eilanden en rotsen, allemaal van vulkanische oorsprong. Op vier eilanden wonen mensen, samen zo’n dertigduizend, en de rest is onbewoond. Bijna het hele landoppervlak is sinds 1959 nationaal park, en de zee eromheen is een van de grootste zeereservaten ter wereld. De Spaanse bisschop Tomás de Berlanga dreef er in 1535 bij toeval naartoe en beschreef als eerste de enorme schildpadden, de galápagos, waaraan de eilanden hun naam danken. Bekend werden ze pas echt door Charles Darwin, die in 1835 vijf weken met het schip de Beagle tussen de eilanden voer.

Dieren zonder angst

Wat de Galápagos bijzonder maakt, is dat de dieren nauwelijks schrikken van mensen. Zeeleeuwen liggen op de bankjes in de havens, zeeleguanen zonnen op de lavarotsen en blauwvoetgenten broeden vlak naast het wandelpad. Op het eiland Santa Cruz zie je in de hooglanden reuzenschildpadden in het wild grazen, en in het onderzoeksstation Charles Darwin in Puerto Ayora worden jonge schildpadden grootgebracht. Op Isabela leeft de galápagospinguïn, de enige pinguïnsoort die tot ten noorden van de evenaar voorkomt. Op Española broedt van april tot en met december de galápagosalbatros. Onder water zwem je met zeeschildpadden, roggen en ongevaarlijke haaien, bijvoorbeeld rond de rots León Dormido bij San Cristóbal.

Cruise of eilandhoppen

Er zijn twee manieren om de eilanden te bezoeken. Met een cruise van vier tot acht dagen slaap je aan boord en vaar je ’s nachts naar het volgende eiland, zodat je ook de afgelegen eilanden zoals Genovesa, Fernandina en Española bereikt. Goedkoper en flexibeler is eilandhoppen: je verblijft in een hotel op Santa Cruz, San Cristóbal of Isabela, reist met een snelle boot tussen die eilanden en maakt dagtochten naar onbewoonde eilanden als Bartolomé, North Seymour en South Plaza. Die bootreizen duren ongeveer twee uur en kunnen ruw zijn. Op veel plekken kun je zonder gids naar het strand, zoals bij Tortuga Bay op Santa Cruz, maar de meeste bezoekplaatsen in het park mag je alleen met een erkende natuurgids betreden. Houd minstens twee meter afstand tot de dieren en raak niets aan.

Praktisch

Je vliegt vanuit Quito of Guayaquil naar het vliegveld op Baltra, vlak bij Santa Cruz, of naar San Cristóbal; vanuit Guayaquil duurt dat bijna twee uur. Voor vertrek vul je online een transitkaart in, die je op het vliegveld op het vasteland ophaalt en contant betaalt. Bij aankomst betaal je, ook contant, de toegang tot het nationaal park, die sinds 2024 voor buitenlandse volwassenen 200 dollar bedraagt; controleer de actuele bedragen voor je vertrekt. Neem dus voldoende contant geld mee, want op de eilanden zijn weinig geldautomaten. De eilanden zijn het hele jaar te bezoeken. Van december tot en met mei is het warm en is het zeewater het aangenaamst om in te snorkelen, en van juni tot en met november is het koeler en bewolkter, maar is de zee rijk aan voedsel en zijn er veel zeevogels en zeeleeuwen te zien.